Text

GRIND — Een lichaam van licht en klank Interview met choreograaf Jefta Van Dinther

Als we elkaar ‘s ochtends skypen is Jefta Van Dinther net aangekomen op zijn werkplek in DOCH (School of Dance and Circus) in Stockholm. Zijn toon is beminnelijk, hij nuanceert zijn woorden en schrikt er in de loop van het gesprek niet voor terug om zich kwetsbaar op te stellen. Bijvoorbeeld vertelt hij hoe hij voor DOCH tussen 2012 en 2014 samen met Frederic Gies het Master Programma voor choreografie uitbouwde, in de aanloop van een fusie met de Stockholm University of the Arts. Toen bleek dat die taak hem te veel energie kostte besloot hij om een stap terug te zetten. Sinds dit academiejaar geeft hij zijn eigen werkmethode door aan de dansers uit het Bachelorprogramma, wat hem meer ademruimte geeft om dichter bij zichzelf en zijn visie op dans te blijven. Die laatste is bij uitstek fysiek. Terwijl hij na zijn afstuderen als danser in 2003 vaak samenwerkte met gerenommeerde choreografen uit de conceptuele dans rond vooraf bedachte concepten of theorieën, focust hij vanaf 2009 in zijn eigen werk op onderzoek naar het bewegen an sich, in een doorgedreven versmelting van lichamen, licht, geluid en objecten. Zo sluit hij opnieuw aan bij zijn oorspronkelijke motivatie om te dansen: een zoektocht naar de transformatieve kracht van beweging.

GRIND
werkwoord:

  1. 1: reduceren tot poeder of kleine deeltjes door wrijving
  2. 2: doen slijten, slijpen, of scherp maken door wrijving

naamwoord:

  1. 1: saaie, eentonige of moeilijke arbeid, studie of routine
  2. 2: het resultaat van ‘grinding’
  3. 3: op een erotische manier met de heupen draaien

Bij de info over GRIND geef je deze reeks definities mee. Wat betekent de titel voor jou?

Toen we de titel kozen kende ik niet alle omschrijvingen, maar in zekere zin zijn ze allemaal van toepassing op de voorstelling. Tijdens het werkproces kwam de betekenis bovendrijven die te maken heeft met arbeid. ‘A grind’ is een oude Engelse term voor een dagelijkse routine, terwijl bijvoorbeeld in de zwarte gemeenschap mensen nu ‘grind’ gebruiken als ze het hebben over naar hun werk gaan. Die oude en nieuwe associaties met ‘arbeid’ waren mijn eerste link, maar GRIND heeft ook heel erg te maken met die andere betekenis, de fysieke daad van verpulveren door wrijving.

GRIND is een heftige ervaring voor ogen, oren en lichaam. Wilde je ook de zintuigen van het publiek verpulveren?

Dat is vaak ter sprake gekomen tijdens de voorbereidingen, toen bleek dat GRIND toch wel een onverbiddelijke, overweldigende voorstelling zou worden. Ons vertrekpunt was dat we het licht, geluid en het lichaam door de grinding molen zouden halen. We zochten een manier om die drie componenten te versmelten (fuse) en tegelijk verwarring te stichten (confuse), tot op het punt waar de toeschouwers het licht zien als geluid, of het lichaam als licht, en ga zo maar door. Hun perceptie wordt dus mee vermalen, ja.

Je plakt de term ‘synesthesie’ op die versmelting. Synestheten, zo las ik, zijn personen met een aangeboren neiging om bijvoorbeeld letters, of dagen van de week, met bepaalde kleuren te associëren, of zelfs kleuren te proeven. Ben jij een synestheet van nature, of was het fenomeen voor jou een inspiratiebron?

Bij mij is het niet aangeboren, maar ik heb wel enkele vrienden die synestheet zijn en me er over vertelden. Zelf heb ik dat soort ervaring als ik in een verhoogde staat van bewustzijn ben, op de dansvloer van een club bijvoorbeeld, of terwijl ik bezig ben met bewegingsonderzoek in de dansstudio. Synesthesie was dus iets wat ik herkende, en wat ik wilde ensceneren op het podium. Daar breng ik de performer in een situatie waar iets gelijkaardigs ontstaat. Nu, de neurologische invalshoek interesseert me minder, en de theorie heb ik nooit grondig bestudeerd. Als het om inspiratiebronnen gaat cirkel ik er liever in een grijze zone omheen, zodat de dingen ongrijpbaar blijven. Vertrekken vanuit een staat van verwarring — net als wanneer de zintuigen door elkaar geschud worden — is mijn manier om het publiek, en ook mezelf, naar onbekend terrein te voeren, waar dingen niet te plaatsen zijn. Zo kan je in een abstracte ervaring terechtkomen.

Toch roept je werk ook vaak sociaal-politieke associaties op. Kan je je daarin vinden?

Wat ik begrepen heb over mijn choreografieën is dat wat voor mij een heel abstracte enscenering is, bij andere mensen allerlei associaties opwekt. In mijn werk heb ik wel de bewuste intentie om dat associatieve op te roepen. En die associaties vullen toeschouwers vaak in als maatschappelijk, relationeel, of iets minder vaak, als politiek. Ik vind het geweldig dat mijn werk op veel manieren te lezen is: mensen die dat willen of nodig hebben in hun leven of in de voorstelling, kunnen betekenis vinden, terwijl anderen, die liever in het abstracte of obscure blijven, evengoed aan hun trekken komen. Dus, ja, daar ben ik erg blij om.

Als je het zo beschrijft, lijkt er ook een spirituele connotatie te zijn. Is dat iets wat je opzoekt, of wat je wil overdragen op de toeschouwer?

Dat spirituele element is er zeker, maar in GRIND was ik me daar nog niet zo van bewust. Ik dacht toen eerder aan een zintuiglijke ervaring, in het moment. Toen we het stuk maakten, in 2O11, waren we er ook niet naar op zoek, terwijl ik in latere stukken — Plateau Effect (2012, ld) en vooral in As it Empties Out (2014, ld) — dat soort transcendentie echt wel wilde afdwingen. Niet alleen door de plek waar we ons bevinden — de theaterruimte — te overstijgen, ook wilde ik via de activiteiten op het podium de dansers en de toeschouwers in een ervaringstoestand brengen die verder reikt dan wijzelf en de materiële wereld.

Is GRIND in die zin een keerpunt in je oeuvre?

Als ik er nu op terugkijk, werkte ik voordien veel formeler — de inzet was toen vooral om vooraf bedachte concepten op het podium te brengen. Er was één stuk waarin ik dat conceptuele al probeerde te doorbreken (Kneeding uit 2010, ld) maar GRIND werd een keerpunt omdat ik mezelf voor het eerst toestond om te fantaseren. Ik kom uit een erg conceptuele achtergrond, en werkte vaak met wat gewoonlijk conceptuele kunstenaars genoemd wordt. Tijdens het werkproces van GRIND ging ik voor het eerst in de ruimte van verbeelding, persoonlijke geschiedenis, dromen, dat soort dingen. Ik begon de weg te vinden naar een innerlijke creatieruimte, die ik dan zichtbaar probeerde te maken. Een andere stap in GRIND was dat de integratie van licht en geluid tot in het extreme doorgetrokken werd. Het team met Minna (Tiikkainen, lichtontwerper, ld) en David (Kiers, geluidskunstenaar, ld) raakte al even hecht verweven, als een familie. Dat zijn ze nog steeds, we zijn samengebleven. Ze hebben me gevolgd voor alle volgende stukken. Het spirituele hing daarmee samen, hoewel ik dat toen nog niet helemaal begreep. In GRIND is ook mijn fascinatie voor materialen opgedoken. Voor het eerst was ik als performer voortdurend in contact met een of ander ruw materiaal dat het lichaam in beweging zet. Het werken met materialen heb ik meegenomen naar Plateau Effect (met negen dansers van het Zweedse Cullberg Ballet en een reusachtig (zeil)doek, ld). Daar zie je een choreografie van het materiaal ontstaan. De dansers zijn er ondergeschikt aan, of worden letterlijk geactiveerd door het materiaal, ofwel is er een slingerbeweging tussen de dansers en het materiaal.

Zijn die aandachtspunten nog verder geëvolueerd?

Intussen is er allerlei gebeurd. Mijn nieuwste stuk, As it Empties Out, gaat eerder in de richting van lichamen als motoren voor het spirituele. Meer precies gaat het erom in opeenvolgende scènes fysieke activiteiten op gang te zetten die de performer naar een niet-aanwezige ruimte of zeg maar, een transcendente ruimte voeren.

Zal je nieuwe stuk voor 2016, Extensions, ook die kant opgaan?

Extensions wordt een solo voor mezelf, opnieuw in samenwerking met David Kiers en Minna Tiikainen. Ook Robyn, zowat de bekendste Zweedse popartieste van het moment, werkt mee. Recent ging ze de elektro toer op, en zo heb ik haar laatste videoclip (Monument, ld) mee gemaakt, en er ook in gedanst. Voor het overige ziet het er naar uit dat Extensions heel autobiografisch wordt, na een jaar dat privé bikkelhard was, met heel veel veranderingen die zowel interessant waren als psychologisch erg moeilijk. In Extensions wil ik al die ervaringen materialiseren in stem, licht, geluid en beweging.

Hoe ben je eigenlijk in dans terechtgekomen?

Het standaardverhaal was altijd dat ik met dansen begon op mijn zeventiende toen ik toevallig met een vriend naar een open amateurklas ging hier in Stockholm, en de leraar meteen heel enthousiast raakte en wilde dat ik zou dansen. Dat deed ik ook, vijf dagen per week. Toen ik een jaar later op auditie ging bij MTD (Moderne Theater Dans, ld) in Amsterdam werd ik meteen toegelaten voor de opleiding. Een snelle beslissing en een snel parcours dus. Ik was nog op gymnasium, een school met een goede reputatie die me zeker naar een universitaire opleiding zou voeren. Maar terwijl school voor mij altijd makkelijk was geweest, was dansen een echte uitdaging, het moeilijkste wat ik ooit gedaan had. Met mijn lichaam bezig zijn beschouwde ik toen als heel materieel, en alle moeilijke dingen er omheen, vond ik ongelooflijk interessant. Maar er is ook een verhaal dat verder teruggaat, naar mijn kindertijd. Mijn ouders waren missionarissen die met het gezin door Afrika, Azië, Amerika en Europa reisden om mensen tot het christendom te bekeren. Ik herinner me dat ik op mijn zesde of zevende voor het eerst een bloem speelde, in het scheppingsverhaal rond Adam en Eva. En als tiener zong en danste ik op straat om mensen aan te trekken — altijd was er wel iets in die richting aan de gang.

Ik lees in je teksten dat je geïntrigeerd bent door ‘de besmettende kracht van beweging’?

Die interesse kwam er toen ik zelf wilde gaan choreograferen. Ik had nog weinig benul van hoe je dat doet. Wat me vooral bezighield was hoe je beweging kan overdragen op anderen, hoe het kijken naar beweging een kinesthetische ervaring wordt. Die vraag is van in het begin aanwezig: hoe ik mensen fysiek, emotioneel of psychologisch in beweging kan brengen door zelf te bewegen op het podium. In kinesthesie blijft het bij de perceptie van reële bewegingen, maar het is wel een sleutel geweest die bepalend was voor hoe ik uiteindelijk beweging zou gebruiken. Later ging ik bijvoorbeeld met herhaling werken, en ook met somatische praktijken, of rond organen, allemaal met dat idee om de toeschouwer te ‘besmetten’ en ervoor te zorgen dat het haast onmogelijk wordt om niet geraakt te worden door wat er op het podium gebeurt. Eigenlijk begon het met choreografieën die dat soort effect op me hadden toen ik als jonge professionele danser ging kijken. Dat waren de stukken die me bijbleven, die me in beweging brachten, en me van beweging naar emotie voerden. Eerder dan dat rationeel te willen begrijpen wat ik zag, observeerde ik de respons in mijn lichaam.

Hoe wil je dat de toeschouwer naar je werk kijkt?

Ik verwacht niet zo veel, maar wat ik graag wil, is dat hij of zij een ontmoeting aangaat met het werk zelf. Dat geldt voor elk werk, niet alleen voor mijn werk, en ook voor mezelf als toeschouwer Dat is op zich al een bijzonder moeilijke opdracht. Zelf vind ik het lastig als ik haast onbewust meteen verbanden begin te leggen, of het werk in een context plaats, of mijn eigen mening heb over hoe het anders had gekund. Terwijl ik vind dat je tot bij de intentie van de makers zou moeten geraken, niet door wat ze erover zeggen, of wat er over geschreven wordt, maar puur door te kijken naar wat zich op het podium voordoet. De toeschouwer hoeft geen blanco pagina te zijn, maar wat ik hoop is dat hij bereid is om zich over te geven aan de ervaring — die al dan niet positief kan zijn. Wat telt is dat je jezelf beschikbaar stelt.

Lieve Dierckx

Meer info op http://jeftavandinther.com

Credits
door by Jefta van Dinther, Minna Tiikkainen and David Kiers
concept: Jefta van Dinther en Minna Tiikkainen /
choreografie en dans: Jefta van Dinther /
lichtontwerp: Minna Tiikkainen
klankontwerp: David Kiers
muziek van: David Kiers and Emptyset
GRIND is een productie van Jefta van Dinther – Sure Basic en Minna Tiikkainen
productieleiding: Emelie Bergbohm
distributie: Koen Vanhove – Key Performance
administratie: Interim Kultur – Sweden and Frascati Productions – The Netherlands /
coproductie: Frascati Productions (Amsterdam), Weld (Stockholm), Tanzquartier (Vienna), PACT Zollverein (Essen), Grand Theatre (Groningen) en Jardin d’Europe via Cullberg Ballet (Stockholm)
gesponsord door: Swedish Arts Council, Swedish Arts Grants Committee, Amsterdams Fonds voor de Kunst en Nordic Culture Point
gesteund door: Fabrik Potsdam